VVCCHeader.jpg

KLEINE WEGCODE ten gebruike der bestuurders van motorvoertuigen

Het kleine boekje (15,5 x 10,8 cm) ”KLEINE WEGCODE ten gebruike der bestuurders van motorvoertuigen” beslaat in het eerste deel 16 pagina's met de eenvoudige regels van de verkeerswetgeving. Dit gedeelte is afgesloten met 2 pagina's reclame van ”LES PHARES WILLOCQ-BOTTIN”. Het tweede deel van dit boekje bevat het algemeen reglement van de verkeerspolitie. Dit wordt hier niet gepubliceerd.

D e     k l e i n e     W e g c o d e

KleineWegcode.jpg

AANHANGWAGENS.
   (Voor het gerij met aanhangwagens, zie art. 80, 81, 82. 83 en 84 van het algemeen reglement)./p>

ACHTERUITKIJKSPIEGEL.
   De motorvoertuigen op meer dan 2 wielen moeten voorzien zijn van een achteruitkijkspigel in goeden staat, derwijze geplaatst dat de bestuurder uitzicht heeft op de linkerzijde van den weg en de achterkant van zijn voertuig. (Art. 104).

AGENTEN BELAST MET DE UITVOERING VAN HET REGELEMENT.
   (zie art. 4 van het Algemeen Reglement).

BEGELEIDERS.
    (zie art. 18, par. 6 van het Algemeen Reglement).

BERMEN (niet verhoogde-).
   De voertuigen mogen de niet verhoogde-bermen niet berijden, behalve voor het uitwijken, alsmede in de mate en gedurende den tijd die strikt noodig zijn voor het kruisen en het voorsteken. (Art. 25).

BOCHTEN.
   In de bochten moeten de bestuurders de uiterste rechterzijde van den rijweg houden. (Art. 29).
In de onoverzichtelijke bochten is het voorsteken verboden. (Art. 36).
Behoudens bijzondere omstandigheden of tegenstrijdige voorschriften moet de bestuurder de linkerbocht zo ruim mogelijk en de rechterbocht zo kort mogelijk nemen. (Art. 31).

BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID.
   De personen die, overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerlijk verantwoordelijk zijn voor de schadevergoedingen en de onkosten, zijn insgelijk aansprakelijk voor de boete. (Wet van 1 Augustus 1899). (einde pag. 1)

DRONKENSCHAP.
   De rechtbank mag de vervallenverklaring uitspreken jegens den bestuurder die wegens een misdrijf tegen de politie op het vervoer of wegens vervoerongeval in dronken toestand bevonden werd. (Wet van 1 Augustus 1924).

FLUITTOONEN DOOR DE VERKEERSAGENTEN GEGEVEN.
   (Zie rubriek : Teekens gegeven door de agenten).

GEBRUIK OP DE MOTORVOERTUIGEN VAN ANDERE LICHTEN DAN DEZE VOORZIEN BIJ HET REGLEMENT.
   Het is verboden op de voertuigen andere lichten te gebruiken dan die welke door het reglement zijn voorgeschreven. Nochtans mogen de voertuigen en motorrijwielen voorzien zijn van een noodschijnwerper, waarvan het gebruik echter verboden is in de bebouwde kommen en bij het naderen van een ander voertuig. De zij- en achtervlakken der lantaarns of schijnwerpers mogen geen gekleurde glazen hebben. (Art. 88).

HOEDANIGHEDEN VAN EEN BESTUURDER VEREISCHT.
   Ieder bestuurder moet in staat zijn te besturen, de vereischte lichamelijke hoedanigheden hebben en de nodige kennis en bekwaamheid. (Art. 11). Indien, ter gelegenheid eener veroordeling wegens misdrijf tegen de politie op het vervoer of vervoerongeval, de plichtige lichamelijk onbekwaam erkend wordt een rijtuig te voeren, zal de vervallenverklaring uitgesproken worden, hetzij ten definitieven titel, hetzij voor een beperkt tijdperk. (Wet van 1 Augustus 1924).

IDENTITEITSKAART.
   Ieder bestuurder moet voorzien zijn van zijn identiteitskaart. Indien het een bestuurder geldt die geen wettelijke woonplaats in België heeft, moet hij voorzien zijn van het internationaal rijbewijs of van een duplicaat van de registratieakte hem afgeleverd bij het binnenkomen in België. (Art. 9).

IDENTITEITSPLAAT.
   Ieder op den openbaren weg gebruikt motorvoertuig moet op een praktisch bereikbare plaats een identiteitsplaat dragen, die in duidelijk leesbare letters aangeeft :
       1° Den naam van den bouwer van het chassis;
       2° Het fabricatienummer van het chassis;
       3° Het fabricatienummer van den motor. (Art. 109). einde pag. 2)

KRUISEN EN VOORSTEKEN.
   De bestuurders die elkaar inhalen of ontmoeten, laten elkaar wederkerig de helft van den rijweg vrij en zoo noodig van de rijbaan, op voorwaarde dat de bermen voor de voertuigen toegankelijk zijn. (Art. 32).
   Het voorsteken moet geschieden aan de linkerzijde van den voor te steken bestuurder, die, van den beweging verwittigd, deze moet vergemakkelen door zooveel mogelijk rechts aan te houden en zich van iedere versnelling te onthouden. (Art. 33).
   De bestuurder die voorgestoken heeft, moet zijn reglementaire plaats weer innemen, zoodra hij het kan doen zonder hinder voor de andere bestuurders. (Art. 34).
   De bestuurder moet alvorens een in beweging zijnde of stilstaand voertuig voor te steken, zich vergewissen dat de baan aan zijn linkerzijde vrij is over een voldoende lengte om alle gevaar voor ongevallen te vermijden. (Art. 35).
              Voorsteken is verboden :
       1° In de omstandigheden waarin eenig gevaar voor ongevallen bestaat;
       2° Op de plaatsen waar het uitzicht onvoldoende is;
       3° In de onoverzichtelijke bochten;
       4° Op de splitsingen, aansluitingen en kruisingen;
       5° Bij het naderen van den top eener helling;
       6° Op de overwegen;
       7° Op de bruggen waarvan de rijbaan niet 6 meter breed is;
       8° Op de plaatsen voorzien van het teeken «Voorsteken verboden»;
       9° Indien de voor te steken bestuurder zelf een anderen voorsteekt. (Art. 36).

KRUISPUNTEN.
   (Voor den voorrang aan kruispunten, zie rubriek Voorrang).

LICHTSIGNALEN.
   De gekleurde seinen gebruikt om het verkeer afwisselend te regelen, omvatten de volgende kleuren:
       1° Rood ter aanduiding van het verplicht stilhouden;
       2° Groen ter aanduiding van den vrijen doorgang;
       Deze seinen moeten zo gemaakt zijn dat het rood boven het groen staat.
Het gelijktijdig gebruik van de twee kleuren, rood en groen, duidt aan dat de richting van het verkeer gaat gewijzigd worden en brengt de verplichting mee om vóór de stoplijn stil te houden. (einde pag. 3)
   Bij gebruik nochtans van naaldseinen wijst de naald aan, dat de doorgang gesloten of open is, alnaar zij zich op het rood of het groen bevindt. De op de vluchtheuvels aan te brengen lichtzuilen dragen op den top een oranjegeel licht. Om een bijzonder gevaarlijke plaats aan te wijzen wordt gebruik gemaakt van een oranjegeel flikkerlicht. (Zie dit aangaande art. 137, 138 en 139 van het algemeen reglement),

MAXIMA AFMETINGEN VAN EEN VOERTUIG.
Breedte : 2 m. 40.
Lengte : 10 m. zoo het een één- of tweeassig voertuig is, 11 m.zoo het een voertuig is met meer dan twee assen.
Hoogte : 4 m.
Vrijdragend deel : 2 m. 85.
Lengte van de trein : 25 m. (Zie art. 73, 74, 75, 76, 77 en 80 van het algemeen reglement). (Voor de maxima afmetingen van eene lading, zie art. 115, 116, 117 van het algemeen reglement).

MAXIMUM-GEWICHTSPLAAT.
   Elk voertuig waarvan het totaal gewicht (tara plus lading) 3,500 kg. bereikt of overtreft, moet voorzien zijn van een maximum-gewichtsplaat. (Zie dit aangaande art. 127, 128 en 129 van het algemeen reglement).

MINIMUM-LEEFTIJD DER BESTUURDERS.
   21 jaar voor de bestuurders van een motorvoertuig dienend voor het vervoer van personen onder bezwarenden titel;
   18 jaar voor de bestuurders van elk ander voertuig. (Art. 8).

NUMMERPLAAT EN NUMMERBEWIJS.
   Ieder op den openbaren weg gebruikt motorvoertuig moet voorzien zijn van de nummerplaat met het nummer van inschrijving, overgenomen uit het algemeen repertorium der motorvoertuigen van het Rijk. Die plaat dient om de eigenaar of den houder van het voertuig te identificeeren. (Art. 110). (Voor het plaatsen dezer plaat aan den achterkant van het voertuig en het aanbrengen van het inschrijvingsnummer op de voorzijde, zie art. 111 en 112 van het algemeen reglement). (pag. 4)
   Ieder bestuurder van een motorvoertuig moet houder zijn van een nummerbewijs (bewijs van inschrijving in het register) op persoonlijken naam van den houder der nummerplaat, dat het op die plaat voorkomend nummer vermeldt (grijze kaart). De nummerplaat en het nummerbewijs zijn streng persoonlijk en mogen niet afgestaan worden. De bestuurder moet het nummerbewijs vertoonen op elke vordering van een bevoegden agent. (Art. 113). (Voor het afleveren, het hernieuwen of het vernielen der nummerplaat en van het nummerbewijs, zie (Art. 113). van het algemeen reglement).
   Het is verboden op zichtbare wijze, aan de voor- of achterzijde van een motorvoertuig, letters of nummers aan te brengen welke door hunne kleur of afmetingen verwarring zouden mogelijk maken met de letters of nummers van de nummerplaat. Anderdeels moeten de voertuigen beschouwd worden als niet voorzien zijnde van eene nummerplaat, indien deze geheel of gedeeltelijk, voorgoed of tijdelijk onleesbaar is geworden. (Art. 114).

ONGEVALLEN.
   De bestuurder die een ongeval veroorzaakt of daartoe aanleiding gegeven heeft, is verplicht zijn medewerking te verleenen om aan de slachtoffers hulp te bieden, zelf indien hem geen schuld kan geweten worden. Indien een bevoegd agent het ongeval niet heeft kunnen vaststellen, moet de bestuurder van het voertuig aan de naastbijzijnde politieoverheid of, uiterlijk binnen 24 uren, aan de politieoverheid van zijn woonplaats daarvan aangifte doen. (Art. 7).
   De bestuurder die, wetend dat zijn rijtuig een ongeval veroorzaakte of daartoe aanleiding gaf, de vlucht neemt om niet bij de noodige bevindingen aanwezig te zijn, wordt gestraft. De rechtbanken kunnen deze bestuurders bovendien vervallen verklaren van het recht een rijtuig te voeren. (Wet van 1 Augustus 1924).

ONTSNAPPEN VAN ROOK.
   (Zie art. 99 van het algemeen reglement)

OP VLUCHT GAAN.
   (Zie rubriek : Ongevallen).

OVERGANGEN VOOR VOETGANGERS.
   (Zie rubriek : Voetgangers).

PERSONENVERVOER.
   (Zie art. 121 en 122 van het algemeen reglement).
   (Het personenvervoer door openbare autobus- en autocardiensten is geregeld door koninklijk besluit van 12 Juli 1933). (einde pag. 5)

PORTIEREN.
   Geen enkel portier mag onder het rijden opengaan; degene die gesloten moeten blijven, zullen goed vastgemaakt worden en niet buiten de zijvlakken van het voertuig uitsteken.

REMMEN.
   (zie art. 100 en 103 van het algemene reglement).

RUITENWISSCHER.
   (zie art. 105 van het algemene reglement).

SCHRIKKEN VAN DIEREN.
   (zie art. 69 van het algemene reglement).

SIGNALISATIE VAN EEN LADING DIE BUITEN HET KOETSWERK UITSTEEKT.
   (zie art. 118 van het algemene reglement).

SIGNALISATIE VAN VERTRAGING, VAN STILSTAND OF VAN WIJZIGING DER RICHTING.

Richtingaanwijzen.jpg
   De bestuurder van een voertuig, die zijn richting wijzigen wil, moet zulks kenbaar maken door een teeken dat moet ophouden zodra de beweging uitgevoerd is.
   Het richtingsteeken kan overdag gegeven worden met de hand of door middel van een geschikt, al dan niet lichtend toestel van oranjegele kleur op beide vlakken.
   Tusschen het vallen van den avond en het aanbreken van den dag wanneer het ander motorvoertuigen zijn geldt dan motorrijwielen en rijwielen met hulpmotor, moet gebruik gemaakt worden van lichtgevende richtingsaanwijzers, van oranjegele kleur op beide vlakken, aangebracht op de voorste helft van het voertuig.
   Indien de lengte van het motorvoertuig 6 meter overtreft, moet de richtingsaanwijzing ook aan de achterzijde van het voertuig aangebracht worden. (einde pag. 6)
    Het vertragings- of stilhoudingsteeken kan overdag gegeven worden met de hand, met de zweep, door middel van twee schijven die op beide vlakken oranjegeel zijn of van het enkel of dubbel licht voorzien in onderstaande paragraaf.
   Tusschen het vallen van den avond en het aanbreken van den dag moeten die bewegingen, aangekondigd worden door één of twee oranjegele lichten, aangebracht op het achtervlak van het voertuig, het ene links, het andere rechts. (Art.96, 97 en 98).
(einde pag. 6)

SNELHEID.
   Het is verboden een voertuig te besturen, met een snelheid of een wijze die gevaar voor het publiek of hinder voor het verkeer kan opleveren, of daartoe uit te nodigen, aan te raden of te helpen. (Art. 41).
   Ieder bestuurder van een voertuig moet voortdurend van zijn snelheid meester blijven, en deze derwijze regelen , dat hij vóór zich een voldoende vrije ruimte behoudt om vóór een hindernis het voertuig tot stilstand te kunnen brengen. (Art. 42).
   De snelheid der voertuigen, waarvan het toegelaten maximum totaal gewicht 3,500 kilogram bereikt of overtreft, zelfs indien het voertuig slechts gedeeltelijk geladen is, wordt beperkt zooals volgt :

Snelheid&gewicht.jpg















(Art. 49).

SNELHEID AAN DE SPOORWEGOVERGANGEN.
   Bij het oversteken van de spoorwegovergangen mag de bestuurder de snelheid van 10 km. in het uur niet overschrijden. (Art. 46). (einde pag. 7)

SNELHEID IN DE BEBOUWDE KOMMEN.
   De voertuigen waarvan het toegelaten maximum totaal gewicht 3.500 kg. bereikt of overtreft, deze waarvan het koetswerk of de lading een grotere breedte heeft dan 2 m. 20, mogen, in de bebouwde kommen, niet sneller dan 40 kilometer in het uur rijden.
   In de bebouwde kommen mogen de motorvoertuigen die twee aanhangwagens trekken, niet sneller dan 10 kilometer in het uur rijden. (Art. 44 en 45).

SNELHEID BEPERKT OP 5 KM. PER UUR.
   Mogen niet sneller dan 5 kilometer in het uur rijden :
       1° De voertuigen waarvan een aanhangwagen wielen met onbuigzame banden heeft;
       2° De treinen met 3 aanhangwagens;
       3° De treinen waarvan de lengte, lading inbegrepen, 20 meter overtreft;
       4° De treinen waarvan het totaal gewicht meer dan 22.000 kilogram bedraagt;
       5° De bestuurders die op hangbruggen en beweegbare bruggen rijden. (Art. 46).

SNELHEIDSPLAAT.
   Elk voertuig waarvan het toegelaten maximum totaal gewicht 3.500 kg. bereikt of overtreft, moet goed zichtbaar, rechts op de achterzijde van het voertuig, een snelheidsplaat dragen. (Art. 49, par. 8).

SPOORLIJNEN.
   (Zie rubriek : Trammen).

STILSTAAN, STATIONNEEREN EN PARKEREN.
Algemeene regel :
   Ieder stilstaand voertuig moet derwijze geplaatst zijn :
1. dat het zoo weinig mogelijk het verkeer hindert;
2. dat het den toegang tot de eigendommen niet belemmert;
3. dat de spoorlijnen voldoende vrij zijn om de voertuigen op rails gemakkelijk door te laten. (Art. 58).
Bijzondere regels :
   (Zie (art. 59, 60 en 61 van het algemeen reglement).
   Het stilstaan is verboden :
1. op de gedeelten van den openbaren weg die speciaal voor de voetgangers of andere weggebruikers voorbehouden zijn;
2. ter hoogte van een ander voertuig, wanneer dat stilstaan het gemakkelijk voorbijrijden van een derde onmogelijk maakt. (Art. 62).
   Uitgezonderd op de speciaal daartoe voorbehouden plaatsen en behalve in de straten waar het stationneeren en het parkeeren speciaal gereglementeerd of alleen aan één kant van de straat mogelijk zijn, moeten de stationneerenden of geparkeerde voertuigen geplaatst worden in de richting van het vekeer. (einde pag. 8)
Deze voertuigen zullen, behoudens bijzondere plaatselijke bepalingen, opgesteld worden tegen den berm of den trottoirband.
   Het stationneeren en het parkeeren is veboden :
1. op de bruggen;
2. vóór de uitgangen van openbare doorgangen;
3. vóór de ingangen en uitgangen van openbare parken en scholen;
4. vóór de ingangen en uitgangen van tooneelzalen;
5. vóór de inrijen van openbare of private gebouwen;
6. op de plaatsen waar de voetgangers van het trottoir moeten stappen om een aldaar aangelegde hindernis voorbij te gaan;
7. op minder dan 10 m. aan weerszijden van de als zoodanig aangewezen autobus-, tram-, buurtspoor-, trolleibushalten;
8. op eenige plaats waar daardoor het wegrijden van een ander stilstaand voertuig onmogelijk gemaakt wordt;
9. op minder dan 5 m. vóór de rooilijn der gebouwen van den dwarsweg;
10. in een bocht, indien het uitzicht in beide richtingen niet vrij is minstens over 50 m. in het vlakke veld, over 10 m. in de bebouwde kommen;
11. in het vlakke veld, op minder dan 10 m. vóór gelijk welke splitsing, aansluiting of kruising;
12. op den top van een helling. (Art. 64).

STOETEN, LEGERTREINEN, BRANDWEER- EN AMBULANCEWAGENS, SCHOLIEREN.
   Het is verboden een op marsch zijnde legertroep, een legertrein, een groep van op rij gaande en van een leider vergezelde scholieren, een lijkstoet of een stoet die uitgaat met de toestemming van de plaatselijke overheid door te breken.
   De bestuurders moeten desnoods door stil te houden, den doorgang vrij laten voor de ambulancevoertuigen en voor de voertuigen gebruikt door de politie of door de brandweer, waarvan de nadering kenbaar gemaakt wordt door een klok of een bijzonder schelsignaal. (Art. 57).

STUURINRICHTINGEN.
   Het stuurtoestel der motorvoertuigen moet stevig en te allen tijde in goeden staat van werking zijn.

TEEKENS GEGEVEN DOOR DE VERKEERSAGENTEN.
   a) Teekens met den arm;
   b) Fluittoonen.
Een enkele fluittoon beteekent «Opgelet-stilhouden voor alle richtingen». (einde pag. 9)
Een zeer korte fluittoon, herhaalde malen achter elkaar, beduidt de bestuurders, dat zij een reglementair voorschrift overschrijden. (Art. 5).

Verkeersagenten


















TOEGELATEN MAXIMAAL-TOTAALGEWICHT.
   (Voor het berekenen der toegelaten maximum totaalgewichten en het afleveren van de maximum-gewichtsplaat en het dito certificaat, zie art. 127 van het algemeen reglement).

TRAMMEN ,-- SPOORLIJNEN.
   De op de openbare wegen door geconcessionneerde diensten aangelegde spoorlijnen zijn bij recht van voorrang aangewezen voor het verkeer van de voertuigen op rails, die tot hun exploitatie dienen.
   De bestuurders moeten uitwijken en desnoods stilstaan om voertuigen op rails door te laten, zoodra zij van dezer komst verwittigd zijn. (Art. 26). Om de voertuigen op de rails te kruisen of voor te steken terwijl die voertuigen in beweging zijn, moet de bestuurder de rechterzijde van den rijweg volgen. Indien de bestuurder in die voorwaarden niet kan kruisen of voorsteken wegens engheid of belemmering van de doorgangsruimte mag hij het aan de linkerzijde doen, na zich vergewist te hebben dat de beweging zonder gevaar voor ongevallen mogelijk is.
   Aan halten van voertuigen op rails, voorzien van vluchtheuvels, moet het kruisen of voorsteken met matige snelheid geschieden langs de uiterste rechterzijde van den rijweg. Indien de spoorlijn en de vluchtheuvel den rechterkant van den rijweg innemen en het instappen of uitstappen aan de zijde van het verkeer geschieden, zal de bestuurder ten minste een meter van den vluchtheuvel blijven; desnoods zal hij stilhouden. Aan de niet van een vluchtheuvel voorziene halten van voertuigen op rails, moet de bestuurder die zich bevindt aan den kant waar het instappen of uitstappen der reizigers geschiedt, met matige snelheid rijden; hij moet stilhouden zoo hij geen vrije ruimte van 3 meter tusschen zijn voertuig en het voertuig op rails kan laten. (einde pag. 10)
   Geldt het een langen stilstand, dan kan het kruisen of voorsteken geschieden als zou het voertuig op rails in beweging zijn. (Art.37, 38, 39 en 40). Ieder stilstaand voertuig moet derwijze geplaatst zijn dat de spoorlijnen voldoende vrij zijn om de voertuigen op rails gemakkelijk door te laten. (Art. 58, par. 3). Het stationneeren en het parkeeren van voertuigen is verboden op minder dan 10 meter aan weerszijden van de als zoodanig aangewezen autobus-, tram-, buurtspoor-, trolleybushalten. (Art. 64).

UITSTEKEN VAN HET KOETSWERK OVER DE TROTTOIRS.
   Het is den bestuurder van een voertuig verboden op zulke wijze te rijden, dat het koetswerk of de lading over de trottoirs of de verhoogde bermen uitsteekt.

VERBOD VAN VRIJE UITLAAT.
   De voertuigen, gedreven door ontploffingsmotoren, moeten voorzien zijn van een geruischlooze uitlaatinrichting. (Art. 99 par. 3).

VERKEER.
   De bestuurders moeten de rechterzijde houden in de richting van hun beweging en, zoo mogelijk, de linkerhelft van den rijweg vrijlaten. (Art. 27). In de bebouwde kommen, alsook in het vlakke veld, wanneer het radiale wegen betreft of wegen aangewezen door kilometerpalen met rooden kop, moeten de voertuigen waarvan de normale snelheid meer dan 20 km. bedraagt, de uiterste rechterzijde van den rijweg houden. (Art. 30). In het vlakke veld, mag de bestuurder van een voertuig waarvan de normale snelheid 20 km. overtreft, indien de rijweg vrij is en indien een aanvullend reglement er zich niet tegen verzet, het midden van den rijweg volgen. (Art. 28).
   De bestuurder moet echter de uiterste rechterzijde van den rijweg houden :
   1° Op de plaatsen voorzien van het teeken «Voorsteken verboden»;
   2° Op de plaatsen waar het uitzicht onvoldoende is;
   3° In de bochten;
   4° Op de splitsingen en aansluitingen;
   5° Bij het naderen van den top eener helling;
   7° Op de bruggen waarvan de rijbaan minder dan 6 meter breed is; (Art. 29). (einde pag. 11)
   (Voor het kruisen en voorsteken, zie rubriek Kruisen en Voorsteken).

VERLICHTING DER IN BEWEGING ZIJNDE AUTOMOBIELEN.
   Deze verlichting bevat,
Aan den voorkant van het voertuig :
   a) 2 standlichten, met wit of geelachtig, niet verblindend licht, dienende om, op 25 cm. na van de twee zijden van het voertuig, de breedte ervan aan te duiden;
   b) 2 wegschijnwerpers, met wit of geelachtig, niet verblindend licht, waarmede de rijweg doelmatig kan verlicht worden over een afstand van minstens 100 m.;
   c) 2 kruisingsschijnwerpers, met wit of geelachtig, niet verblindend licht, waarmede de rijweg over een afstand van minstens 30 m. kan verlicht worden.
Geen enkel dezer lichten mag op den zij- of achterkant voorzien zijn van gekleurde glazen.
Aan den achterkant :
   d) een rood licht.
Dit rood licht is het eenige dat op een voertuig mag aangebracht worden, uitgezonderd dit voorzien voor het stationneerlicht. Voor het plaatsen van voormelde lichten, zie art. 85, lit. A, van het algemeen reglement.
   De wegschijnwerpers mogen niet gebruikt worden :
1° Bij het ontmoeten van een ander voertuig, en op zulke afstand dat het verkeer gemakkelijk en veilig kan doorgaan;
2° in den doortocht van agglomeraties voorzien van een goede openbare verlichting;
3° in alle omstandigheden waarin die opheffing noodzakelijk is.
OPMERKING. -- Wanneer een bestuurder van een motorvoertuig, door zijn schijnwerpers achtereenvolgens snel aan te steken en te dooven, te kennen geeft dat hij verblind wordt, moet de bestuurder van het voertuig, waarvan de schijnwerpers de verblinding veroorzaken, deze onmiddellijk doen ophouden.
   Het gebruik van kruisingsschijnwerpwers is verboden waar er een goede openbare verlichting bestaat. Het gelijktijdig gebruik van standlichten en wegschijnwerpers is niet vereischt. Het gelijktijdig gebruik van standlichten en kruisingsschijnwerpers is niet vereischt, wanneer deze laatste de breedte van het voertuig aanduiden, zooals hierboven voorgeschreven is voor de standlichten. (Art. 85).
   De standlichten mogen in dezelfde lantaarnen als de wegschijnwerpers en de kruisingsschijnwerpers ondergebracht worden, op voorwaarde dat dez laatste de breedte van het voertuig afbakenen, zooals voorgeschreven voor de standlichten. (einde pag. 11)

VERLICHTING DER INSCHRIJVINGSPLAAT.
   Het inschrijvingsnummer, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig, moet zoodra het niet meer zichtbaar is in het daglicht, derwijze verlicht worden dat het bij niet mistig weder, op een minimum afstand vaan 20 meter volkomen leesbaar is. Dit voorschrift is niet van toepassing op de stationneerende of geparkeerde voertuigen. (Art. 89).

VERLICHTING DER MOTORRIJWIELEN.
   (Zie art. 85, litt. B. van het algemeen reglement).

VERLICHTING DER RIJWIELEN.
   Een wit of geelachtig niet verblindend licht aan den voorkant, een rood licht aan den achterkant. (Zie art. 85, litt. C. van het algemeen reglement).

VERLICHTING DER STATIONNEERENDE OF GEPARKEERDE AUTOMOBIELEN.
   Indien de automobiel voldoende verlicht is door de openbare of private verlichting, mag hij stationneeren of geparkeerd worden zonder lichten en zonder verlichting der inschrijvingsplaat. Indien de omgevende verlichting onvoldoende is, moet het voertuig voorzien zijn van : 2 standlichten of de twee kruisingsschijnwerpers aan den voorkant, het rood licht aan den achterkant.
   Het gebruik van kruisingsschijnwerpers is echter verboden wanneer de automobiel stationneert of geparkeerd is in een bebouwde kom welke degelijk verlicht is. Om te stationneeren of te parkeeren kan eveneens gebruik gemaakt worden van één of twee stationneerlichten. (Zie art. 87 van het algemeen reglement). Wanneer de automobiel stationneert of geparkeerd is op daarvoor speciaal ingerichte plaatsen, is de verlichting van het voertuig niet vereischt.

VERLICHTING DER TIJDELIJK STILSTAANDE AUTOMOBIELEN.
   Deze voertuigen moeten dezelfde lichten hebben als waarvan ze voorzien moeten zijn wanneer ze in beweging zijn. (Art. 86).

VERVALLEN VAN HET MISDRIJF.
   De openbare rechtsvordering en de burgerlijke eisch, voortspruitende uit een misdrijf tegen de wet en de verordeningen betreffende de politie op het vervoer, vervallen na verloop van een jaar, te rekenen van den dag waarop het misdrijf werd begaan. (Wet van 1 Augustus 1899). (einde pag. 13)

VERVALLENVERKLARING VAN HET RECHT OM TE BESTUREN.
   Nadat een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, is de bestuurder die de vervallenverklaring van het recht een voertuig te besturen opgeloopen heeft, verplicht hetzij de identiteitskaart, hetzij het internationaal rijbewijs, hetzij het duplicaat van de registratieakte, al naar het geval, op de griffie van de rechtbank, welke het eindvonnis geveld heeft, af te leveren of te doen afleveren. Hij zal zulks doen binnen vijf dagen na de uitnoodiging die hem door de griffie zal verzonden worden.
   De bestuurder die een straf van vervallenverklaring opgeloopen heeft, moet voorzien zijn van het stuk waarin de vervallenverklaring aangeteekend is, en het op iedere vordering van een bevoegden agent vertoonen. (Art. 10).
N. B. -- De rechtbanken mogen de vervallenverklaring uitspreken :
   1° indien de veroordeling geschiedt wegens doodslag of verwonding;
   2° indien de schuldige, in den loop der drie jaren vóór de overtreding, tweemaal gestraft werd wegens doodslag of verwondingen naar aanleiding van ongevallen bij het vervoer te wijten aan zijn eigen schuld, of indien hij, in den loop van het jaar vóór de overtreding tweemaal gestraft werd wegens ongeoorloofde snelheid;
   3° indien de plichtige zich in dronkenschap bevond op het ogenblijk van het misdrijf. (Wet van 1 Augustus 1924).
   4° indien de bestuurder wetend dat zijn voertuig een ongeval veroorzaakte of daartoe aanleiding gaf op de vlucht is gegaan om niet bij de noodige aanwezig te zijn.(Wet van 1 Augustus 1924).
   De vervallenverklaring wordt altijd uitgesproken indien, naar aanleiding van een verordening wegens misdrijf tegen de politie op het vervoer of wegens een verkeersongeval, de plichtige lichamelijk onbekwaam erkend wordt een rijtuig te besturen. In dergelijk geval wordt de vervallenverklaring uitgesproken hetzij ten definitieven titel, hetzij voor een bepaald tijdperk.
   De duur van de vervallenverklaring wordt verdubbeld en het voertuig kan in beslag genomen worden, tijdelijk of definitief, indien een bestuurder die een vervallenverklaring heeft opgeloopen gedurende het tijdperk dezer vervalleverklaring een voertuig stuurt. (Wet van 1 Augustus 1924).

VLUCHTHEUVELS.
   De bestuurders moeten de vluchtheuvels, aangelegd om het verkeer te kanaliseeren, rechts voorbijsteken, behoudens tegenstrijdige en ter plaatse gegeven aanwijzing. (Art. 27, par. 2). (einde pag. 14)

VOETGANGERS.
   De voetgangers mogen den rijweg slechts volgen, indien de trottoirs, de verhoogde bermen of de rijwielpaden onbruikbaar of belemmerd zijn. In dat geval moeten zij uitwijken om de andere weggebruikers door te laten. De voor de voertuigen bestemde wegen steken zij voorzichtig en snel over. (Art. 22).
   De bestuurders van voertuigen, die op de vordering van een verkeersagent of op aanwijzijng van een passend sein, gestopt hebben voor de speciaal daartoe afgebakende overgangen voor voetgangers, mogen zich slechts weer in beweging zetten, als zulks mogelijk is zonder gevaar op te leveren voor de voetgangers die nog op dien overgang voortstappen. (Art. 61).

VORDERINGEN VAN EEN BEVOEGDEN AGENT.
   Worden als vorderingen beschouwd :
   a) wanneer het voertuig in beweging is, de teekens gegeven door een bevoegden agent zienbaar dragend het teeken van zijn ambt, alsook de fluittoonen door hem        gegeven;
   b) wanneer het voertuig stilstaat, de mondelinge bevelen.
   De bestuurders moeten blijven stilstaan gedurende den tijd die noodig is om de politie- of toezichtsmaatregelen te vervullen, die krachtens dit reglement aan de overheid zijn opgelegd. (Zie art. 5 en 6 van het algemeen reglement)./p>

VOORRANG.
   Tot regeling van het verkeer aan de splitsingen, aansluitingen of kruisingen worden de openbare wegen, op die plaatsen en bij het naderen er van, als hoofdwegen of als secundaire wegen beschouwd. (Art. 50). (De hoofdwegen en secundaire wegen zijn aangeduid in art. 51, 52 en 53 van het algemeen reglement).
   De bestuurder die op een secundaire weg rijdt, is verplicht den doorgang vrij te laten voor den bestuurder die over den hoofdweg rijdt. Hij mag dezen weg slechts oprijden, indien er geen ander voertuig aankomt of indien, rekening houdend onder meer met de snelheid van dit laatste en met den afstand waarop het zich bevindt, er geen gevaar voor aanrijding bestaat. (Art. 54). Daar waar de voorrang niet geregeld is door het feit dat de eene weg hoofdweg is en de andere secundair, geldt de regel «Voorrang rechts». (Art.55 en56).
   Ieder bestuurder is daarenboven verplicht de volgende regelen in acht te nemen : (einde pag. 15)
   1° Hij moet den doorgang vrij laten voor de in beweging zijnde voertuigen wanneer :
      a) Hij, na een stilstand weer aanzet;
      b) Hij uit een aan den openbare weg gelegen eigendom of uit een voor parkeeren of stationneeren voorbehouden plaats komt;
      c) Hij rijbewegingen uitvoert.
   2° Indien hij links wil afdraaien, mag hij den doorgang niet afsnijden voor degene die zijn weg vervolgt. (Art. 57).

WAARSCHUWINGSTOESTEL.
   De automobielen moeten voorzien zijn van een waarschuwingstoestel met zwaar en aanhoudend geluid, dat op een afstand van minstens 100 m. kan gehoord worden. Voor de motorrijwielen moet het geluid scherp zijn. (Art. 90).
   Het is verboden van de geluidswaarschuwingstoestellen gebruik te maken anders dan ten behoeve van de veiligheid. (Art. 94, par. 2)
   De waarschuwingstoestellen op uitlaat zijn verboden. (Art. 94, par. 3) (Voor de gevallen van verplichting of van verbod de waarschuwingstoestellen te doen werken, zie art. 92, 93 en 94 van het algemeen reglement).

WEGSIGNALISATIE.
   Om de bestuurders te waarschuwen omtrent het naderen van een gevaarlijke plaats, worden driehoekige teekens gebruikt. (Zie art. 131 van het algemeen reglement). Een omgekeerde driehoek duidt den bestuurder aan, dat hij den doorgang moet vrij laten voor de voertuigen, die den weg berijden waarop hij gaat aankomen.
   De teekens een verplichting houdende zijn rond : rood voorde verbodsbepalingen, blauw voor de gebodsbepalingen. (Zie art. 132 van het algemeen reglement). de aanduidingsteekens zijn vierhoekig. (Zie art. 133 van het algemeen reglement).

WIELRIJDERS.
   (Nopens de verplichting voor de wielrijders gebruik te maken van het rijwielpad of desgevallend op één rij achter elkaar te rijden aan de uiterste rechterzijde van de rijbaan, zie art. 20 van het algemeen reglement).
   (Nopens de verplichting voor de wielrijders hun rijwiel van achter te voorzien van een rood licht, zie art. 85 van het algemeen reglement).      A. P. (einde pag. 16)

DekleinwegcodeWillocq-Bottin.jpg
DekleinewegcodeWillocq-Bottin2.jpg