VVCCHeader.jpg

België, een dwerg in Europa
Leopold_I.jpg
Koning Leopold I
Leopold_II.jpg
Koning Leopold II

   België is ontstaan in 1830. De koning van het Verenigd Koninkrijk duidde in eerste instantie Leopold van Saksen-Coburg-Gotha aan als koning van Griekenland. Hij weigerde en werd dan op 4 juni 1831 door het Congres tot staatshoofd gekozen en op 21 juli legde hij de eed af als eerste koning van de Belgen. Koning Leopold I was geïnteresseerd in de metaalindustrie en spoorwegen die hij in Engeland gezien had. In mei 1835 reed de eerste trein op het vasteland van Brussel naar Mechelen. Drie treinen waren gekocht in het Verenigd Koninkrijk. Nadien werd het spoorwegnet snel uitgebreid, wagons en locomotieven werden in België gebouwd. Na koning Leopold I kwam koning Leopold II, die in 1885 de Onafhankelijke Congostaat oprichtte om rijk te worden. Helaas heeft hij nadien de regels niet gevolgd en was hij verantwoordelijk voor de dood van ongeveer 10 miljoen congolezen. Voor zijn dood in 1908 gaf hij zijn Onafhankelijke Congostaat op en gaf die door aan de Belgische Staat. Zijn dochters waren onterfd en hij schonk zijn kastelen en paleizen aan de staat in ruil voor het onderhoud. Zo ontstond de Koninklijk Schenking.

   In die periode van 1885 tot 1900 werd er hard gezocht naar een betere mobiliteit. In 1886 werd in Duitsland de eerste auto op benzine gebouwd. In Frankrijk was men al vroeg bezig met stoomauto's te ontwerpen. Bij Peugeot had men al in 1890 een auto op benzine. Vanaf 1895 waren al vele bedrijven en kleine werkplaatsen in België en omliggende landen bezig om auto's, fietsen en motorfietsen te kunnen bouwen. De industrie in België draaide op volle toeren en de eerste Belgische auto werd gebouwd in 1897. In 1898 volgde Germain en vele anderen. Vlak voor de oorlog was de industrie op zijn hoogtepunt. In augustus 1914 stokte alles toen de oorlog uitbrak. Na de oorlog startte de opbouw. Het decenium 1920-1929 werd gekenmerkt door de roerige jaren twintig.

Albert I.jpg
Koning Albert I
Prinses_Astrid_1926.jpg
Prinses Astrid 1926

Na de beurscrash van 1929 sloeg de economische crisis een diep gat in de Belgische begroting. Werkloosheid, monetaire chaos en sociale onrust deden heel wat liberale zekerheden wankelen. Het dieptepunt was 1935 na vijf regeringen in 5 jaar. De Belgische autoindustrie was dood. In die periode van 1930 tot en met 1939 gebeurde het volgende:
   - De eerste taalwetten kwamen tot stand: het openbaar bestuur en het onderwijs zullen in Nederlandstalig gebied ook de      Nederlandse taal gebruiken.
   - De frank moest in 1935 devalueren, maar met zijn grondstoffen en productiemiddelen kwam het land redelijk door de
     wereldcrisis.
   - Het Belgische koninklijk huis werd zwaar getroffen door twee ongelukken. In 1934 verongelukte koning Albert I in de
     Ardennen, in 1935 de jonge koningin Astrid in Zwitserland.
   - De nieuwe Belgische regering-Van Zeeland verruilde in maart 1936 het bondgenootschap met Frankrijk en het Verenigd
      Koninkrijk voor een neutrale koers.
   - Er werd begonnen met de herbebossing van het Hallerbos.
    - Aanleg van het Albertkanaal, de Sluis van Diepenbeek, en de Sint-Annatunnel onder de Schelde in Antwerpen.

Leopold III.jpg
Koning Leopold III

Na de Tweede Wereldoorlog was vanaf 1948 de betalingsbalans opnieuw in evenwicht. De rantsoenering van de voedingswaren kon worden opgeheven en het levensniveau van de bevolking verbeterde snel. Meteen na de oorlog ontstond het probleem van de koningskwestie en dat duurde van 1945 tot 1951. Op 12 maart 1950 trokken de Belgen voor de eerste en enige keer naar de stembus voor een volksraadpleging. Omdat de Belgische grondwet niet voorzag in een procedure hiervoor, was de volksraadpleging niet bindend; noch voor de regering noch voor het parlement. De uitslag verdeelde de twee gemeenschappen van het land, 2.933.382 stemden voor Leopolds terugkeer (57,68%) en 2.151.881 tegen (42,32%). De verdeling van de voor- en tegenstemmers was regionaal gekleurd. In Vlaanderen stemde de meerderheid voor in alle provincies. In Wallonië stemde de meerderheid in de rurale provincies Namen en Luxemburg vóór. De dichtbevolkte geïndustrialiseerde provincies Luik en Henegouwen waren tegen. In Brussel was een kleine meerderheid tegen, terwijl in het tweetalige Brabant (inclusief Brussel) een nipte meerderheid vóór was. Ondanks de resultaten van de volksraadpleging hield Wallonië een algemene staking tegen de terugkeer van koning Leopold III. Nieuwe Belgische verkiezingen in juni 1950 hadden als inzet de koningskwestie. Er kwam een nieuwe regering en het parlement stelde op 20 juli 1950 vast dat aan de onmogelijkheid te regeren een einde kwam, en op 22 juli keerde de koning Leopold III terug naar België. Daarop werden in Wallonië en in Vlaanderen nieuwe stakingen gehouden. Te Grâce-Berleur, bij Luik, werden op 30 juli drie betogers gedood door rijkswachtkogels, een vierde overleed later.

Boudewijn.jpg
Koning Boudewijn
   Spoedoverleg tussen de drie grote politieke families leidde tot een akkoord om de koninklijke bevoegdheden over te dragen aan kroonprins Boudewijn. De toen 20-jarige prins Boudewijn legde op 11 augustus 1950 de grondwettelijke eed af voor de Verenigde Kamers. De leopoldisten, die de volksraadpleging vooral in Vlaanderen wonnen, voelden zich verraden, maar de stakingen kwamen tot een eind, de mars op Brussel werd afgelast en de toestand stabiliseerde zich. Tot de meerderjarigheid van Boudewijn, die met de eedaflegging de titel Koninklijke Prins-Prince Royal kreeg, bleef Leopold formeel de koning. Op 16 juli 1951 tekende hij de troonsafstand en een dag later volgde Boudewijn hem op als Koning der Belgen.

   In 1958 was er de Wereldtentoonstelling en het Schoolpact dat een einde maakte aan de schoolstrijd. Op 13 januari 1959 dwongen onlusten in Leopoldstad de regering ertoe om het recht van Belgisch-Kongo op onafhankelijkheid te erkennen. Op 30 juni 1960 werd Belgisch–Congo een zelfstandige staat. In de laatste 4 weken in december 1960 en de 2 eerste weken in 1961 werd er fel gestaakt, voornamelijk door de socialisten, en er vielen ook 4 doden. De oorzaak was de teloorgang van de Waalse mijnen. Op 13 januari werd de eenheidswet gestemd en keerde de rust geleidelijk terug. Vanaf dan gingen de overgebleven mijnen in Wallonië één na één dicht. In 1962 werd de taalgrens vastgelegd en in 1963 werd de taalwetgeving herzien. De verkiezingen van 31 maart 1968 leverden veel zetelwinst op voor de regionalistische partijen. In de jaren zeventig werd ook België getroffen door de internationale economische crisis en werd afgerekend op de verouderde economie. Een herstructurering van de textiel-, steenkool-, en staalindustrie was hard nodig. De Limburgse mijnen gingen dicht. De sluiting van vele bedrijven en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen werd daarbij voor lief genomen. De werkloosheid groeide van 3,4% in 1972 tot 18,5% in 1983. Dit zorgde weer voor grote begrotingstekorten en een onophoudelijke toename van de staatsschuld. De centrum-rechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid om het begrotingstekort in te dammen en dat beleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden beperkt en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur.

   De zwakte van België komt nu te voorschijn bij de staatshervormingen! De eerste staatshervorming was in 1970. Er werd besloten een nieuw evenwicht te installeren in de nationale instellingen (pariteit tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in de Ministerraad, de invoering van bijzondere meerderheidswetten en de communautaire alarmbelprocedure). De zogenoemde grendelgrondwet werd ingevoerd. Een belangrijke rol bij deze staatshervorming werd vervuld door veelvuldig premier Gaston Eyskens.
   Op aandrang van Vlaanderen kwam er autonomie op het vlak van taal en cultuur, doordat er cultuurgemeenschappen werden opgericht: de Franse en Nederlandse Cultuurgemeenschap. De cultuurraden (respectievelijk de Raad van de Franse Cultuurgemeenschap en de Raad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap) bestonden uit de taalgroepen in het nationale parlement. Zij kregen ook wetgevende bevoegdheden die ze uitoefenen door middel van decreten. Die decreten werden uitgevoerd door een minister van Cultuur, één voor elke taalgroep, in de nationale regering. De cultuurgemeenschappen zijn bevoegd voor cultuur, zeer beperkte onderwijsmateries en bepaalde aspecten van de taalwetgeving.
   Om tegemoet te komen aan de vraag van Wallonië om sociaal-economische bevoegdheden te krijgen, werden in de Grondwet de gewesten opgenomen, met vermelding dat de bevoegdheden later geregeld zullen worden. Dit staat bekend als artikel 107quater. Met de wet van 1 augustus 1974 werden voorlopige gewestraden geïnstalleerd, die tot in 1977 zouden bestaan. De eerste staatshervorming was niet echt een staatshervorming!

   De tweede staatshervorming was in 1980. Er kwamen twee gewestraden, met eigen bevoegdheden voor plaatsgebonden gelegenheden. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - dat al wel erkend was in de staatshervorming van 1970 - werd pas verder uitgewerkt in de derde staatshervorming, deze had dus nog praktisch geen bevoegdheden. De 3 cultuurgemeenschappen - met zeer beperkte bevoegdheden - werden omgevormd tot kortweg gemeenschappen. Dit omdat ze meer bevoegdheden verkregen hadden, niet alleen op cultureel en taalkundig vlak, maar ook inzake persoonsgebonden aangelegenheden. De gemeenschappen en gewesten kregen bij deze hervorming ook wetgevende bevoegdheden, hierdoor verkregen ze op hun niveau een eigen regering en parlement. Let wel, in Vlaanderen werden de raden (en regeringen) onmiddellijk samengevoegd, zodat er één regering en parlement was voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest. In Wallonië gebeurde dit niet.

   De derde staatshervorming was in 1988-1989. De bevoegdheid van de gemeenschappen werd uitgebreid met het hele onderwijs, met slechts een paar kleine uitzonderingen. Dit ging samen met een uitbreiding van de bevoegdheid van het Arbitragehof, dat de mogelijkheid kreeg om de wetten en decreten te toetsen aan art. 10 (gelijkheidsbeginsel), 11 (discriminatieverbod) en 24 (vrijheid van onderwijs) van de Belgische Grondwet, om te vermijden dat één van de onderwijsnetten te dominant zou worden (in Vlaanderen het vrije, katholieke onderwijs en in Wallonië het Gemeenschapsonderwijs). Daarnaast werd een akkoord bereikt over de inrichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De regeling hieromtrent lijkt sterk op deze voor de werking van de nationale overheid, waarbij de Nederlandstaligen in Brussel op dezelfde manier beschermd worden als de Franstaligen op nationaal niveau: pariteit in de regering, alarmbelprocedure et cetera.

   De vierde staatshervorming (Sint-Michielsakkoord) was in 1993. Met het Sint-Michielsakkoord wordt België ook formeel een federale staat. Op het federale, (nationale) niveau worden een aantal wijzigingen doorgevoerd om meer een federale structuur aan te nemen, zoals de samenstelling van de Senaat. Daarnaast komen er ook maatregelen om de regeringsstabiliteit te verhogen, o.a. door middel van de constructieve motie van wantrouwen. Verder worden in deze staatshervorming de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten uitgebreid. Belangrijk te signaleren is dat zij de bevoegdheid krijgen om verdragen te sluiten met betrekking tot hun bevoegdheden. Ze genieten hierin een erg grote vrijheid, die veel verder gaat dan de bevoegdheid van deelstaten in andere federale Staten. De gewesten worden ook bevoegd voor exportpromotie. Daarnaast wordt ook komaf gemaakt met het dubbelmandaat dat de parlementairen hadden door zowel in het nationale als in het deelstaatparlement te zetelen. Voortaan zullen de raden van de deelstaten ook rechtstreeks verkozen worden. Dit gaat gepaard met een vermindering van het aantal leden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en Senaat, om zo toch nog het aantal mandatarissen te beperken. Ten slotte krijgen de deelstaten ook een beperkte constitutieve autonomie.

   De vijfde staatshervorming (Lambermont- en Lombard-akkoorden) was in 2001-2003. De gewesten krijgen bijkomende bevoegdheden (buitenlandse handel, landbouw en administratief toezicht op ondergeschikte besturen). Daarnaast wordt een aantal beschermingsmechanismen in de Brusselse instellingen afgebouwd, voornamelijk uit vrees dat de instellingen geblokkeerd zouden worden wanneer het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) een meerderheid zou halen in de Nederlandse taalgroep. In Brussel stemt een relatief groot aantal Franstaligen op deze partij. Er komt ook een herfinanciering van de gemeenschappen en de gewesten krijgen bijkomende fiscale bevoegdheden. Ook de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof wordt uitgebreid.

   Even tussen door een grote Belgische zwakheid: De Generale Maatschappij van België. De Generale Maatschappij werd met staatswaarborg in december 1822 opgericht door koning Willem I onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als de Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt. Deze maatschappij had als doel de groei van de welvaart in de zuidelijke gewesten van het land te stimuleren. Bij de revolutie van 1830 werd het bedrijf Belgisch (Societé Générale de Belgique). Vanaf toen tot de oprichting van de Nationale Bank van België in 1850 fungeerde de Generale Maatschappij ook als nationale bank. In de begintijd investeerde de Generale Maatschappij veel in (spoor)wegen en kanalen. Naar aanleiding van de beurscrash van 1929 werden de bankactiviteiten in 1934 afgesplitst in de Generale Bank (nu: BNP Paribas Fortis). De Generale Maatschappij bleef wel de belangrijkste aandeelhouder van de Generale Bank. Op het toppunt van haar macht, rond de Tweede Wereldoorlog, controleerde de Generale Maatschappij zo’n 800 van de grootste ondernemingen in België en Congo. Dat was equivalent aan ongeveer 40% van het Belgische industriële patrimonium.
   Een van de grote economische verhalen van België kwam ten einde in 1988. De Italiaanse zakenman Carlo de Benedetti had in alle stilte 17% van de aandelen van de Generale Maatschappij van België gekocht en hij wilde een bod op alle aandelen van de Generale Maatschappij doen. De Generale Maatschappij had haar aandeelhouders verwaarloosd. Slechts 6 à 7% van de uitstaande aandelen waren in vaste handen (voornamelijk bij de koninklijke familie en een paar grote banken). Op zondag 17 januari 1988 bracht De Benedetti een bezoek bij René Lamy, gouverneur van de Generale Maatschappij. Maurice Lippens, toenmalig voorzitter van de raad van bestuur van de Generale Bank, een van de dochters van de Generale Maatschappij, had een constructie opgezet om de plannen van De Benedetti te doen mislukken. Ondertussen was de premier druk op zoek naar een andere overnemer en die vond hij bij Compagnie de Suez. Suez was toen nog een relatief kleine Franse onderneming. Dankzij de steun van een aantal financiële instanties slaagde Suez op 14 april 1988 erin GM over te nemen en De Benedetti moest afdruipen.
   Suez verwierf in 1988 een meerderheidsbelang van bijna 60% in de Generale Maatschappij. In 1998 bracht de Franse groep, intussen omgedoopt tot Suez Lyonnaise des Eaux, een vrijwillig ruilbod uit op de overige 40% van de aandelen. Suez Lyonnaise kreeg hiermee bijna alle aandelen in handen en het aandeel van de Generale Maatschappij werd van de beurs gehaald. In december 1999 bracht het een verplicht uitkoopbod uit op de 0,6% GM-aandelen die ze nog niet bezat. Suez-Lyonnaise slaagde hierin en met alle aandelen in handen hoefde Suez Lyonnaise geen openbare aandeelhoudersvergaderingen voor de Generale Maatschappij meer te organiseren. De Generale was in feite een nutteloze schakel tussen Suez en de 'interessante' bedrijven Tractebel en Electrabel geworden. In 1999 was Suez voor 100% eigenaar van Tractebel geworden en op 31 oktober 2003 ten slotte fuseerde Tractebel met de Generale Maatschappij tot Suez-Tractebel NV. Die vrijdag was de juridische sterfdatum van de Generale Maatschappij van België.
   Na de overname heeft Suez heel wat dochters van de Generale Maatschappij moeten verkopen om haar reusachtige leningen terug te betalen. Suez heeft in feite hetzelfde gedaan als wat De Benedetti van plan was, de ontmanteling van het conglomeraat. Slechts een paar belangrijke vennootschappen, zoals de Société Maritime de Belgique, zijn in Belgische handen gebleven. Suez hield in de jaren 90 ook nog een aandelenbelang van 30% in de Generale Bank, maar op 17 mei 1998 kocht Fortis deze aandelen en werd de Generale Bank een onderdeel van Fortis.

   De zesde staatshervorming (Vlinderakkoord) was in 2011-2012. Na 459 dagen onderhandelingen werd half september 2011 tussen de acht deelnemende partijen een akkoord bereikt over een zesde staatshervorming onder leiding van Elio Di Rupo (PS). De groenen (Groen! en Ecolo), die daarna voor verdere deelname aan de regeringsonderhandelingen werden uitgesloten, zouden de uitvoering van de bereikte akkoorden door een nieuwe regering vanuit de oppositie steunen. De door de daaropvolgende regering uit te voeren akkoorden waren:
    - De splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.
    - Franstaligen in de faciliteitengemeenten zullen kunnen kiezen of ze op een Vlaams-Brabantse of Brusselse lijst stemmen.
    - Een beperkte hervorming van de Brusselse instellingen.
    - De financieringswet regelt de financieringsmechanismen van gewesten en gemeenschappen betreffende de overgehevelde bevoegdheden, regelt de fiscale autonomie
      van de gewesten en de financiering van de Brusselse instellingen.
    - Overdracht van bevoegdheden van federaal niveau naar gewesten en gemeenschappen.

   De Duitstalige Gemeenschap: een bijzonderheid in de staatsstructuur. De Duitstalige Gemeenschap is gestaag meegegroeid met de andere gemeenschappen, maar heeft altijd een wat speciale plaats gekregen. De akkoorden die werden bereikt in de Staatshervorming waren steeds gericht op de oplossing van problemen tussen Vlamingen en Franstaligen. Duitstaligen waren hier slechts zijdelings bij betrokken omdat dit veel minder gevoelig ligt. Daarom is het statuut van deze gemeenschap ook niet geregeld in de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen (waarvoor een 2/3-meerderheid nodig is om ze te wijzigen, net als een meerderheid in elke taalgroep), maar in een gewone wet. Op die manier heeft de Duitstalige Gemeenschap dezelfde bevoegdheden gekregen als de andere gemeenschappen en daarbovenop heeft het Waals Gewest, waaronder de gebieden van de Duitstalige Gemeenschap ressorteren, een aantal bevoegdheden naar de gemeenschap overgedragen, bijvoorbeeld monumenten en landschappen.

   Wat hebben de staatshervormingen opgeleverd?
Wat de parlementen betreft zijn er +/- 313 kamerleden waaronder 60 senatoren. Er zijn 6 regeringen met samen 47 ministers en 7 staatssecretarissen. Zowel schepenen als kamerleden hebben zich verrijkt bij intercommunales en bedrijven. Het werd tijd dat de borstel er in 2017 doorheen ging. Met zoveel kamerleden en parlementen is het blijkbaar onmogelijk om de schuldenlast te minderen, de begroting op orde te krijgen, de belastingen rechtvaardiger en eenvoudiger te maken, innen van belastingen op dezelfde manier als in de andere zones, justitie rechtvaardiger maken - in Gent had de rechtbank een ex-collega vrijgesproken betreffende een merkelijk deel van de belasting die hij normaal niet zou moeten betalen - maar de rechter besliste ook dat dit vonnis alleen voor die persoon geldig was en niet voor al die anderen die in dezelfde situatie waren, de stakingen van de vakbonden doen verminderen en de belastingontduikingen vermijden ondanks de steun in Luxemburg voor de ontduikingen (Juncker ??).
In de Europese Unie zijn er ongeveer 750 parlementsleden. In België +/- 313 en toch zijn ze hier niet capabel om het land gezond te maken. Het lijkt er op dat dit land heel veel dwarsliggers heeft!